Inkijk

Hoofdstuk XI – Moka (p. 120-121)

Salih was zo één van die mannen die gemakkelijk voor een vrouw kunnen doorgaan, ja, die er zelfs nog opwindender uitzien dan menige vrouw. Een mukhanath zegt men hier. Jonge, slanke mannen die hun handpalmen beschilderen met henna en hun ogen zwart maken. Zij zingen en begeleiden zichzelf met eenvoudige instrumenten zoals de tamboerijn en de trommel, sommige beheersen de kunst van het musiceren op de luit en de fluit. Zij worden gevraagd op feesten en bruiloften en beleven ongestoord hun eigengereide levenswijze, meestal in kleine groepjes. Niet weinige Beddoe-mannen zwichten voor hun charmes en hun verleidingen, vaak in het geheim. Hun geaardheid opent voor hen ook de deur der vrouwenvertrekken. Een Beddoe-man zou zich schamen jaloers te zijn want zijn vrouwen zouden hem uitlachen indien hij zich in zijn mannelijkheid bedreigd zou voelen door een mukhanath. Daardoor glippen deze ranke verschijningen moeiteloos binnen in de tenten en de kamers waar alleen vrouwen en kinderen toegelaten zijn. Naar ik later vernam zijn er nochtans heel wat vrouwen die zich de strelingen en de liefkozingen van de mukhanath liever laten welgevallen dan de veelal hevige maar kortstondige paardrift van hun mannen! Vele geheimen omhullen het leven van een mukhanath.
Sommige reizen mee met karavanen en vermaken ‘s avonds de vermoeide mannen met zang en dans en de andere kunsten die de nachten veraangenamen. Eigenlijk, ook dit mocht ik later ervaren, ontstaan de meeste jaloezie-scènes gelieerd aan de mukhanath eigenaardig genoeg net in dit milieu aangezien de vraag groot is, maar het aanbod klein, om niet te zeggen vaak onbestaand. Immers, de doorsnee mukhanath vertoeft liever in de beschutting en het comfort van een huis, hoe bescheiden ook; liever een zacht tapijt dan de rotsen en het zand van de woestijn, liever de koele waaiers in de lommer dan de gloeiende zandstorm onder de brandende zon… Er zijn onder karavaandrijvers al messen getrokken uit jaloezie voor de mooie ogen en de lange wimpers van deze bijzondere gazellen, die met zulke voorvallen een welhaast magisch onweerstaanbare faam en begeerlijkheid verwerven.
Salih was na enkele jaren in Perzië teruggekeerd naar Mekka en de leden van de stam. Met haar lange ranke vingers, haar baardloos gezicht zo zacht als de huid van een perzik en haar lang, ravezwart, krullend dik haar dat tot halverwege de rug hing, wekte ze de jaloezie op van behaagzieke vrouwen die onaflatend de aandacht trachtten te trekken der mannen. En toch was ze ondanks al dat uiterlijk raffinement, haar juwelen en zijden kleren, gehard en even goed opgewassen tegen de ontberingen van het woestijnleven als de ruwste Beddoe-man. Zo moet het haar van Samson geweest zijn, dacht ik op een keer tijdens een saaie rit, toen ze voor mij reed op haar witte wijfjeskameel en mijn blik gevangen werd door het ritmisch op en neer wiegen van de zwarte haardos op haar rug, één met de tred van het rijdier. Ik moest glimlachen om mezelf. Een vreemde gedachte was het wel, een raakpunt te zien tussen enerzijds deze hoogst verwijfde jongeling en zijn verblindende schoonheid en anderzijds de sterkste en mannelijkste man die ooit op aarde leefde!

Hoofdstuk XVIII – Goede Vrijdag (p. 210-211)

Hier onderbrak de Heer der Geschriften Kaleb en verbeterde hem met de volle ernst van zijn diepgaande inzichten in deze oude kwestie :
– Dit is niet zomaar gekibbel Kaleb, het blijft hoedanook een zwaarwichtig onderwerp dat voor veel verdeeldheid zorgde, en misschien nog zal zorgen…
– Neem me niet kwalijk, Heer, sprak Kaleb ootmoedig, de tewahedo heeft dus te maken met de natuur van onze Redder. Voor ons heeft Hij, ondanks zijn menselijke gedaante en zijn goddelijke oorsprong, slechts één natuur. Ja, ik geef toe, het is een moeilijke kwestie, en mijn schuchtere poging om het duidelijker te maken zal misschien niet heel geslaagd zijn, daarom laat ik uw eventuele vragen graag over aan de Heer der Geschriften. Ik ben meer vertrouwd met het tekenpotlood. Deze muurschildering bijvoorbeeld toont de Heilige Drievuldigheid.
Kaleb wees op een fresco dat drie statige, oude en bebaarde heren voorstelde die er identiek uitzagen.
– Het lijkt wel een oude drieling, grapte Kalele.
Kaleb kreeg een verschrikte gelaatsuitdrukking.
– Neemt u hem niet kwalijk, hij is nog een kind… suste ik in het Grieks.
– Edele gast, vergoeilijkte Kaleb, in de mond van een volwassene zou het zeer ongepast zijn, maar een kind kan men zoiets vergeven. Zijn kinderhart is zuiver, dat zie ik, en hij had niet de bedoeling te spotten of te kwetsen. En zelfs met een volwassene is de Heer barmhartig en vergevensgezind voor wie de zuiverheid van zijn hart niet bezoedelt.
– Amen !, antwoordden Mammet en Nastur eenstemmig en in alle ernst.
Het religieus gezemel begon mij danig op de zenuwen te werken en in mijn ijver om het gesprek een andere wending te geven, vroeg ik hem of hij een tekst kon voorleggen die mij in staat zou stellen de taal van Ethiopië te leren, alsook het door de monniken gebruikte schrift.

Hoofdstuk XVIII – Goede Vrijdag (p. 214-215)

– Met ons leven van offers…, zo sprak de aboena plechtig en met luide stem de kloosterlingen toe, wachtend op de nagalm onder de gewelven, van offers en boetedoening, hopen we vergiffenis voor onze zonden te krijgen en onze hemel te verdienen. Maar één dag op het jaar herdenken we op een bijzondere manier het offer en het lijden van de Heer, en Zijn smartelijke dood die niet zinloos was, maar onze redding tot doel had. Ook ons leven en ons lijden zijn niet zinloos, maar een middel om deel te hebben aan de Verlossing. Daarom, en nu richtte hij zich, nog luider sprekend, tot de naakte monnik, ….daarom zeg ik u : onderga uw straf in gehoorzaamheid en draag uw kastijding op aan de Heer, gedenk zijn leed en smart!
Hij knikte naar een monnik die uit de rij naar voren stapte en de bullenpees opnam, waarna hij een knevel in de mond duwde van de naakte zwarte medebroeder.
De aboena riep met luide stem en kordate articulatie, waarin ik zelfs een zweem van ingehouden woede meende te bespeuren :
– Er is geen genade zonder boete…. HEER DER BOETE, VOLBRENG UW TAAK!
Het collectief gezang en handgeklap hernam. Een monnik bracht de Heilige Schrift naar de boeteling die er zijn lippen op drukte. Dan viel de eerste zweepslag op de naakte rug. Het donkerrode bloed was moeilijk te zien op de zwarte huid, maar na enkele slagen sijpelde het op de grond. De kastijding werd er niet wreder om, maar de neerplensende druppels bevlekten nu het witte doek dat de marmeren vloer moest beschermen en dat oogde huiveringwekkend. Het gezang zwol weer aan, alsmaar luider en luider. De zweep kleurde rood, zoals de witte lendendoek die aan het lichaam van de penitent vastkleefde. De monnik met de bullenpees sloeg woest door met zijn instrument, alsof hij er een vreemd plezier in vond zijn zwarte medebroeder te folteren. Maar de man gaf geen krimp en hield de rug recht. Geen kik ontglipte zijn keel. Tot hij plots voorover viel. De zweep rustte eindelijk. Men bette zijn hoofd met een spons gedrenkt in een kruik fris water vermengd met azijn. De penitent kwam terug bij en hernam zijn vorige houding. Bij de tweede val verloor hij het bewustzijn en toen de aboena zag dat het betten geen soelaas bood, liet hij de ceremonie beëindigen. Hij zegende de monniken en verliet in processie de kerk, zoals hij ze had betreden, gehuld in wolken van wierook.

Hoofdstuk XXIV – Waarheid en leugen (p. 283-284)

Hij doet er trouwens lustig aan mee : hij dicteert zogezegde vertalingen, hij verzint zelf vertelsels en laat ze verluchten met smerige tekeningen. Al die valse boeken zouden moeten vernietigd worden. Dat zijn er al heel wat. En ik denk dat er zelfs nog veel meer zijn waar we nog niet eens het bestaan van kennen. Bijna zeshonderd jaar is het al geleden dat die Jezus gekruisigd werd. Op die tijd kunnen ze wel wat bijeengepend hebben, genoeg om nog voor duizenden jaren verwarring te stichten en te kibbelen over haarkloverijen, als de wereld nog zo lang zal bestaan. Meer nog, er kunnen nog altijd veel verzinsels aan toegevoegd worden. Wat we in die bibliotheek gezien hebben, maakt veel duidelijk, vind je niet?

Hoofdstuk XLIII – Madinat an-Nabi (p. 449-450)

(Levi stuurt zijn verslag der gebeurtenissen)
Tweede brief van Levi in de maand chesjwan van het jaar 4383 (oktober/november 622 n. Chr.)

Mijn dierbare Amoz en Khadija,
Ik kreeg bericht uit Yathrib dat Mohammed – aangezien hij er op staat zo genoemd te worden, zullen we dat voortaan dan maar zo doen – weer een verzinsel bedacht heeft, dit keer om aan zijn ontsnapping uit Mekka een miraculeuze glans te verlenen. Hij beweert dat hij zich op zijn vlucht samen met zijn negerslaaf Sidna in een grot verscholen had en dat ze vanuit de duisternis van het schuilhol de Mekkaanse achtervolgers konden horen voorbijkomen. Eén van hen maakte blijkbaar aanstalten om in de grot te gaan zoeken. Mohammed en Sidna klemden hun dolken vast en bereidden zich voor op een uitzichtloze strijd met een gewisse dood tot afloop voor hen beiden. Maar de stem van de Engel weerklonk in de grot :
– Denk je dan dat jouw dag en jouw uur aangebroken zijn ? Heb ik je niet gezegd dat de dag en het uur noch jou, noch enige andere sterveling bekend zijn ? Berg die dolk weg en heb vertrouwen. Het is niet vandaag dat je uur aanbreekt.
Deze stem had Sidna niet gehoord. Meteen daarna hoorden zowel Mammet als Sidna een stem buiten de grot. Het was één der Mekkaanse achtervolgers die zei :
– Zie je dat spinneweb voor de ingang niet? Denk toch na, hoe kunnen ze zich hier verbergen. Leer spoorzoeken en verdoe je tijd niet man. Kom, we moeten verder.
Zij bleven er nog de hele nacht en bij zonsopgang kropen ze naar buiten. Mohammed wreef het kleverig spinrag uit zijn gezicht, en toen begreep hij dat G*d dit mirakel had bewerkstelligd om hen te redden. Er vloog ook een koppel duiven op dat voor de ingang zijn nest had gebouwd. Als bijzonder geloofwaardige getuigenis, roept hij bij elke gelegenheid de negerslaaf Sidna op ter bevestiging van hun miraculeuze redding. Met zulke verzinsels dus bedot hij de inwoners van Yathrib, die hem nu ook al erkennen als profeet en godbetert zelfs nog als Jezus’ opvolger ook. Zij zouden er zelfs mee ingestemd hebben hun stad te herdopen tot Medinat an-Nabi (de stad van de profeet). Kan men nog dieper in het stof kruipen? Welk een smadelijk en laf gedrag! Aanvaarden dat de naam van je stad veranderd wordt ter ere van een obscure vreemdeling ! Zijn er dan zo weinig inwoners van Yathrib om op te komen tegen die inmenging? Laat de meerderheid zich dan zo knechten door een minderheid van meeheulers? Geven die schaapskoppen dan niets om waardigheid? Hebben zij geen greintje eigenliefde?
Aboe Soefian ziet het met lede ogen aan. Hij erkent dat hij en de hele Raad van Tien te weinig doortastend geweest zijn de afgelopen jaren.
– We hebben te veel laten betijen, geeft hij radeloos zuchtend toe. Ik heb hem geantwoord dat zachte ‘heulmeesters’ stinkende wonden veroorzaken. Hij kon er nog mee lachen, zoals altijd met mijn woordspelingen!
Jullie zeer toegenegen,
Levi